About this ebook
Wat uit één geboren is, zal nooit vergaan...
Chaos...
De jonge Westwalder Vesper en zijn broer Or raken betrokken bij de grootste strijd die hun wereld ooit heeft gezien als een mysterieuze krijger 's nacht hun hut binnendringt en claimt dat Vesper hun god is. Hij is Angr, de leider van de Tarealar. Een volk groter dan welk ander volk ook, met vreemdkleurige ogen en wapens van een exotisch metaal waarin de nacht zelf lijkt te slapen. De Tarealar hebben maar één doel: chaos.
Schuld...
Als Vesper een god is, dan een machteloze. Niet in staat om de Tarealar te verdrijven, niet in staat om hun wonderen te verrichten, niet in staat om zijn moeder te genezen. Als Vesper beseft dat hij Angr ooit tijdens zijn droomwandelingen heeft gezien, begint hij zich steeds schuldiger te voelen over de vernietiging die als een wildvuur door zijn land raast. Is hij hiervoor verantwoordelijk? Waar komen de Tarealar vandaan?
Trouw...
De band tussen de twee broers is in het hart gesmeed. Nooit zal Or zijn jongere broer in de steek laten, ook al hoort hij 's nachts de bomen in het donkere Westwald fluisteren. Ook al moet hij een complete invasiemacht trotseren. Maar ook Angr heeft een eed gezworen en de liefde voor zijn godkent geen grenzen.
Hebban-recencisten over Wildvuur
"Het verhaal start direct vol spanning en actie. En eens je begonnen bent kun je niet meer stoppen want die spanning blijft aangehouden tot het einde van het boek." - Sven
"Wat een prachtig verhaal! Ik was direct verkocht na de eerste bladzijde. Ik wilde direct meer weten en had vele vragen." Noëmi
"Wildvuur is een spannend verhaal, Elmar Otten heeft een heeft met Wildvuur een topper van een debuut neergezet." - Bianca
"Een boek vol hoop, geheimen en mysteries" - Devika
Related to Wildvuur
Related ebooks
Het Afwezige Licht Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe Verwoeste Stad Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe schat van de koning Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsHet blauwe kristal: De Kronieken van Alstraldita, #1 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe held van Anwyn Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsWaar de wind ons brengt Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsZeil voorbij de horizon, verhalen van de Gran Terre Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe boeken van Dhûbh, Schutsheer: De boeken van Dhûbh, #3 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsIn Schaduwen van Weleer Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsToevluchtsoord voor Reizigers: Gilde van de Eeuwige Vlam, #1 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe vrouwe van Myrdin Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe tovervalk 2 - De gekooide valk Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe tocht naar het Kerstfeest: Fantasie, #1 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsHet Chagrijnige Slagzwaard, deel 2: De wraak van Naïrghan Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsEed van de Genezer: Gilde van de Eeuwige Vlam, #3 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsHervor de Plunderaar: De Erfgename van Tyrfing, #2 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe laatste strijd: De Kronieken van Alstraldita, #3 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe Wil van Adens Goden: De Verloren Stammen van Aden, #2 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe tovervalk 4 - De dochter van de drakenkoning Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe ketter Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsWeerwolven van Waraine Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe tovervalk 3-4 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe erfenis van de Halflingen (De Halflingen van Athranor 2) Fantasy roman Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsMirte en het Verdwenen Kind: Hart van Vuur, #2 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsMirte en de Vuurworm: Hart van Vuur, #1 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsEr was eens Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsHervor de Wilde: De Erfgename van Tyrfing, #1 Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsSchaduwstrijd Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsEen Zoektocht Van Helden (Boek #1 In De Tovenaarsring) Rating: 0 out of 5 stars0 ratingsDe tovervalk 3 - De demonenkoningin Rating: 0 out of 5 stars0 ratings
Reviews for Wildvuur
0 ratings0 reviews
Book preview
Wildvuur - Elmar Otten
Voorwoord
Hoe begint een oorlog? Zijn er tekenen vooraf die je had kunnen zien? Geruchten uit het buitenland, een machtswisseling wellicht? Troepenverplaatsingen, opvallende goudstromen? Ja, achteraf, dan zijn de kenners die het voorspeld hadden opeens ruim voorhanden. Druviden die het in de vogeltrek zagen of in de kunstig gedrapeerde ingewanden van een onschuldig geitje. Vadsige raadsheren, die met terugwerkende kracht al tien jaar geleden hadden gewaarschuwd. Niets is zo veranderlijk als het verleden... Maar bij deze oorlog zwegen alle stemmen. Deze oorlog kwam uit het niets.
Het eerste wat ik er zelf van zag, waren zeilen aan de horizon. Een vijandelijke vloot die naar onze kust werd geblazen als een donderstorm. Meer schepen dan golven en allemaal op weg naar het ‘koninkrijk’ Miravië. De glorieuze natie die vooral bestaat als wandtapijt in het paleis van de koning.
Dit boek begint zoals de oorlog zelf begon. Chaotisch, verwoestend, onstopbaar. En zoals in elke oorlog zijn er de onbekende namen die een stille heldenrol op zich nemen. Zandkorrels, die samen een dam tegen de vloed vormen, maar die slechts zelden in de boekrollen eindigen. Dit verhaal is hun getuigenis. Met velen zijn ze en ik kan me voorstellen, o ondergewaardeerde lezer, dat de stoet aan personages die in deze strijd wordt meegezogen overweldigend is. Dat is helaas de aard van oorlog en niet iedereen beschikt over mijn analytische vermogens.
Maar laat ik iets van mijn kennis met jullie delen. Wie moet u in dit relaas in de gaten houden? Nee, niet mij, ik ben slechts een eenvoudige visser. De jongen natuurlijk! Vesper is zijn naam. Het kleinste zandkorreltje in dit boek, maar wel een die een volledige lawine in gang heeft gezet. Vlak ook zijn broer Or niet uit. Een stille kracht, als het opkomend tij. Hij is het water dat de boot draagt.
Wie nog meer? Er is Fir, die zich uit liefde voor hun moeder in de oorlog stort, en zijn ietwat gezette vriend Ardon, simpelweg te dom om zich er niet mee te bemoeien. Maar een vriend desondanks, dat geef ik hem na.
Heeft u nog ruimte over in uw hoofd? Let dan op de man met wie ik nog een kopje thee heb gedronken: Angr. Groot, gespierd, oranje ogen en - niet geheel onbelangrijk - aanvoerder van de grootste invasiemacht ooit. Stel je een brandende wolf met een jeugdtrauma en iets te veel tanden voor, dat is hem. Aardige man verder, hoor.
En al die anderen? Zie hen als de bomen die samen dat ene hoekje aan de rand van Miravië vormen. Dat rijk binnen het koninkrijk op het wandtapijt van de koning: het Westwald. Het Fluisterende Woud!
Bellandar
1
‘Wie ben jij?’
‘Ken je me niet?’
‘Je komt wel bekend voor.’
‘Ik ben Angr.’
‘Ik heet Vesper.’
‘Dat weet ik.’
‘Hoe dan?’
‘Je hebt me geroepen.’
‘Ben ik hier eerder geweest?’
‘Je hebt deze plek gemaakt.’
‘Kan ik me anders niks van herinneren.’
‘Ik zal het je vertellen.’
‘Volgens mij heb je het me al vaker verteld.’
‘Dit is de vierde keer.’
Onder de laaghangende takken van een oeroude eik die koningen en helden heeft zien sterven, stond een jongetje met ravenzwart haar in het donker, zijn voeten bloot, zijn lijfje bedekt met een wollen nachthemd. Hij werd Vesper genoemd. Naast hem stond een man, groter dan alle andere mannen die hij ooit gezien had. Zíjn naam was Angr, wist Vesper, al kon hij niet zeggen waar hij die naam eerder had gehoord. Hij had oranje irissen, warm als de ondergaande zon. Vesper schrok terug toen de ogen zich op hem richtten. Een wortel haakte zich achter zijn hiel en deed hem achterovertuimelen. Hij zag bladeren en sterren over zich heen glijden, kneep zijn ogen dicht en verdween.
Toen hij zijn ogen weer opende, zat hij naast zijn bed, in het donker van de hut waar hij woonde. De aangestampte aarde voelde koud aan op zijn blote benen, zijn hiel deed zeer, zijn billen voelden beurs. Hij keek naar zijn grote broer, Or, die op een bed van hooi lag te slapen onder de vachtdeken die ze deelden. Zijn gezicht was nauwelijks te zien, maar hij voelde zijn vertrouwde aanwezigheid. Vesper draaide zich om naar zijn moeder, die aan de andere kant van hun slaaphoek lag. Zijn moeder had een echt planken bed, van de grond af. Tussen de bedden was een vuurkring, waar een eenzaam blok hout dofrood lag te verkolen. Er kwam nauwelijks meer warmte van af, al was dat deze nazomernacht ook niet nodig.
Het was nieuwe maan en onbewolkt. Het sterrenlicht dat door het rookgat in de nok viel wist nauwelijks binnen te dringen. Niet genoeg om zijn moeder te kunnen ontwaren in het donker, maar als hij zijn eigen adem inhield, kon hij de hare horen, aanzwellend en afnemend als de verre branding. Zelfs overdag was het op zijn best schemerig in hun hut. Als de nacht wordt weggejaagd door de dag, verstopt hij zich bij ons, dacht Vesper wel eens. Dat het altijd halfdonker was, kwam door het dak dat bijna tot aan de grond doorliep, net als bij alle hutten in hun kring. Als het slecht weer was, leek het net op de kap die de ossenrijders ver over hun hoofd heen trekken tegen de regen. Het diende dan ook hetzelfde doel.
Vesper zijn armen waren bezweet en ondanks de warme nacht begon hij het op de vloer naast zijn bed koud te krijgen. Hij stond op, tilde zijn been over de dikke, gladde stam die het hooi van hun bed op zijn plek hield en liet zich op het warme matras glijden. Stilletjes kroop hij tegen zijn broer aan en gaf hem een kus op zijn wang. Or mompelde wat onverstaanbaars en draaide zich om naar de leemwand. Zijn broer was lief, vond Vesper. En hij had beloofd altijd bij hem te blijven. De warmte liet zijn lijf ontspannen en langzaam zakten zijn oogleden weer dicht.
Hij was weer buiten, aan de uiterste rand van het woud. Achter hem stonden machtige eiken en beuken, voor hem lag een klein open dal, niet veel meer dan een kom gevuld met grasland. De sterren waren weer terug en ook de zoete, koele geur van de nacht. Bij zijn voeten ritselde een blad. Vesper wipte het met zijn teen om. Een glimmend torretje verstarde, zijn dekking plotseling verdwenen. Een paar tellen bleef het zo zitten om vervolgens terug onder het blad te kruipen.
Nog geen tien passen bij Vesper vandaan zat Angr gehurkt te overleggen met iemand naast hem. Zelfs in hun ineengedoken houding waren ze vrijwel even groot als de vrouwen van Vespers kring. Ze praatten zachtjes en ongedwongen, alsof ze verhalen van vroeger vertelden. Net als hij de vreemde woorden leek te verstaan, ontglipten ze hem weer.
Angr had een kort zwaard met een gekromd snijvlak op zijn benen liggen. Het donkere metaal glom zwakjes in het beetje licht dat de nacht prijsgaf. Vesper zag hem wijzen naar een aantal hutten, die zich als grote kiezels verzameld hadden in het diepste deel van het komvormige dal. Zijn arm beschreef een brede cirkel om het gehucht heen, langs de bomenlijn.
Zijn kameraad knikte, raapte een reusachtige bijl van de bebladerde grond en wees naar een stuk of vijf krijgers achter zich. Geruisloos stond hij op, trok zijn benen borstpantser recht en stapte tussen de bomen vandaan. Snel en geruisloos ging hij het groepje voor en begon aan de omtrekkende beweging rond het dorp.
Zwijgend keek Angr hen na, tot ze in de duisternis waren verdwenen. Zijn blik gleed langs bomen en struiken tot hij op Vesper rustte. Vesper hield zijn adem in, maar bleef waar hij was. Angr knikte kort en richtte zijn ogen weer op het gehucht dat onder aan het veld lag.
Weggedoken in het donker bij Angr zag Vesper nog een tiental andere personen, maar die leken hem niet op te merken. Alleen deze man, met zijn diep oranje ogen, maakte contact met hem. Vesper besefte vagelijk dat ze elkaar vaker hadden gezien.
Heimelijk keek hij naar de reus, die iets aan de andere kant van het veld opgemerkt leek te hebben. De man maakte een kort gebaar met zijn hand. De overgebleven strijders pakten zwijgend hun wapens en rezen als één enkel wezen overeind. Vesper reikte net tot hun heupen. Deze kolossen met hun vreemde wapens en pantsering moeten de sterkste mannen van het Westwald zijn, dacht Vesper. Hij vroeg zich af of Ardon, de grootste van zijn kring, net zo lang was. Waarschijnlijk niet. Hij besloot dat ze de grootste mensen van de wereld waren. De donkere gestaltes stelden zich achter hun leider op. Af en toe zag hij een paar ogen in het donker opflikkeren. De meeste grijs of geel, een enkeling groen. Heel even flitsten de oranje ogen van Angr zijn kant op, toen waren ze vertrokken.
Vesper ging bij de boom staan waar Angr zojuist nog had neergehurkt. Hij zag het groepje grijze schimmen het veld oversteken naar de kring onder in het dal. Het was geen grote kring, twaalf hutten maar, gerangschikt rond een langhuis. Vesper herkende de hut waar hij altijd sliep, vlak bij de stenen waterput. Aan de achterzijde van het dorp stegen vlammen van een andere hut op, verlangend naar de hemel. Het was de hut van Fir, wist hij. Hij bleef wel eens eten en heel af en toe kwam hij oppassen. Angr was nog nooit bij hen thuis geweest, dat wist Vesper zeker. Hij constateerde dat al deze gedachten emotieloos door zijn geest gleden en herkende het gevaar ervan. Frummelend aan zijn hemd keek hij naar de vlammen en vroeg zich af of hij niet naar huis zou moeten.
In de beschermende omhelzing van het langhuis hielden twee vrienden een vuur brandend, meer voor het licht dan voor de warmte. Ze deelden een kruik Urwat en het vermoeden dat ze nog als enigen van de kring wakker waren. De jongste van de twee, Fir, pakte een stok met een verkoold uiteinde op en pookte in het vuur. Zijn gedachten hadden moeite op hun plek te blijven, ook al had hij weinig van de sterke drank op. Als je lang genoeg in de vlammen staart, kun je de Oorsprong zien, beweerde zijn vader vroeger. Hij schudde zijn blik los van de sintels, nam een slokje uit zijn aardewerken beker en gaf de ander een duw tegen zijn dikke schouder. ‘Ardon, waarom ga je niet eens je eigen hut bouwen? Je houdt ons kringhuis al lang genoeg bezet.’
Ardon wierp een dikke tak op het vuur. Hij was ouder dan Fir, maar had nog altijd een jongensachtige slungeligheid over zich. Alles aan zijn lichaam leek bedoeld te zijn om zijn lengte en kracht verborgen te houden. Zijn wat voorovergebogen houding, zijn ontwapenende grijns, zelfs zijn halflange zwarte haren die zijn kaaklijn verborgen hielden.
‘Waarom kom ik niet bij jou hokken? Zo’n hele hut in je uppie is veel te groot.’
Fir glimlachte. Ze hadden het gesprek al tientallen keren gevoerd, iedere keer net even anders. ‘Dat zou niet kunnen, waar laat je dan je koe?’
‘Waar ze hoort: in jouw bed.’
Fir draaide zich op zijn krukje om naar de koe, die half verscholen achter een rieten scherm op stal stond, en probeerde zich het beeld voor te stellen. Het langhuis waar ze waren was de oudste en grootste hut van het dorp, gebouwd door de drie families die de kring gesticht hadden. De eerste jaren was de hut hun gemeenschappelijk onderkomen, terwijl een voor een de hutten om het langhuis heen opgetrokken werden. Nu diende het als stal en verblijf voor reizigers en handelaars. Volgens Ardon was ‘kringhuis’ een veel te net woord voor wat hout, leem en riet, wat niet wegnam dat hij er al meer dan vijftien maanden gebruik van maakte, samen met zijn koe Vasha.
‘Liever een koe in huis dan jij,’ zei Fir. ‘En trouwens, volgens mij wacht je liever tot Inanna je in huis neemt.’
Ardon wendde zijn blik naar het vuur, betrapt door de woorden. ‘Met die twee schreeuwlelijken van haar? Dacht het niet.’
‘Het zijn goede jongens.’
‘Goed, maar luidruchtig. Vooral die kleine, Or.’
‘Or is de oudste. Veertien, blond haar tot zijn schouders, bijna net zo lang als ik? Als je bij Inanna wilt wonen, mag je ze wel eens uit elkaar houden.’ Er zat een scherp randje in Firs stem.
Ardon keek verbolgen op. ‘Jíj wilt bij Inanna wonen, Firlan, ik niet.’
‘Noem me geen Firlan.’ Hij keek in zijn beker. Bijna leeg, de rest zat in Ardon zijn maag. Geërgerd tikte hij de lege kruik met zijn voet om.
De tak in het vuur was begonnen te sissen, eigenlijk nog te nat. Het uiteinde spuwde belletjes.
‘Waarom heeft Or zijn lange naam nog niet?’ vroeg Ardon. Hij maakt iedereen in de war.’
‘Alleen jou, volgens mij. Hij is twee keer voor de Vernaming het woud in geweest, maar hield het niet tot zonsopgang vol.’
‘Geen kind van het Westwald dan.’
‘De bomen fluisteren, zegt hij. Als je wat meer in hem geïnteresseerd was, zou je het weten.’
‘Pff, ik vraag het toch. Chagrijn.’ Ardon stond op en liep naar de deuropening van de langhut, bukte zich voor de lage bovenbalk en ging buiten voor de ingang staan.
Fir hoorde hem luidruchtig lucht naar binnen snuiven. Het irriteerde hem.
‘Ik kom toch maar niet in jouw hut wonen,’ riep Ardon naar binnen.
‘Mooi zo!’
‘Hij staat namelijk in de fik.’
Fir staarde een paar seconden verbijsterd naar de uitgang van de hut, waar hij net Ardons benen kon zien. Hij wilde opstaan, maar zijn spieren negeerden de opdracht. ‘Echt?’ vroeg hij.
Ardon kwam teruggelopen en legde een hand op zijn schouder. ‘Echt. Geen grap.’
Fir probeerde overeind te springen maar voelde dat Ardon hem met kracht op zijn plek hield. ‘Laat me opstaan, dom rund!’
‘Haal eerst maar eens je boog, Fir. We zijn niet de enigen die nog wakker zijn.’
‘Hoezo, wat bedoel je? Heb je iemand gezien?’
Ardon haalde zijn hand weg en liep naar de stalzijde van de langhut, waar Vasha de twee mannen met een mengeling van belangstelling en berusting gadesloeg. Ardon fluisterde wat tegen de koe, die een paar stappen naar voren deed. Fir zag hem een lang voorwerp onder het stro vandaan halen, dat in doeken was gewikkeld.
‘Wat heb je daar?’
Ardon keek even op en begon het doek af te wikkelen. ‘Pak je boog, Fir.’
Fir schudde zijn hoofd heen en weer om de alcohol te verdrijven en zijn gedachten helder te krijgen. Hij griste zijn boog bij een muur vandaan en spande hem aan terwijl hij ondertussen zag hoe Ardon een eenvoudig, maar glimmend opgepoetst bronzen wapen onthulde. ‘Een zwaard! Hoe kom je daar in oorsprongsnaam aan?’ Zijn hersenen deden hun best de werkelijkheid bij te houden.
Ardon hield het korte zwaard voor zich uit, zijn gezicht strak en bleek. ‘Doet er niet toe, kom.’ Hij liep naar de uitgang met Fir achter zich aan.
‘Kun je daar mee omgaan dan?’ vroeg Fir terwijl hij naar buiten stapte. Ardon gaf geen antwoord, maar wees naar de lucht. Voor de hut was een kleine open plaats met kaalgelopen gras. Tussen de langhut en de brandende hut van Fir stonden twee andere onderkomens die het zicht blokkeerden, maar Fir kon een dieprode gloed tegen de nachthemel zien. Zijn hut, zijn thúís stond in vuur en vlam. Het was alsof er een groot, diep gat in zijn borst werd geschroeid. Hij wierp een blik op het zwaard van Ardon. Wie hadden dit in vredesnaam gedaan?
Samen staken ze de plaats over en drukten zich tegen het dakriet van de hut aan de overzijde. Langs de lage dakranden schoven ze dichterbij, tot er nog maar een hut tussen hen en het vuur in stond. Ardon ging plat op het gras liggen en kroop langzaam verder naar voren. Met zijn gezicht tegen het wit uitgeslagen leem van de muur keek hij voorzichtig om de hoek.
Fir hoorde hem zacht vloeken en langzaam tellen. Instinctief klemde hij zijn boog steviger vast en wachtte hij tot Ardon weer achteruit schuifelde. Snel nam hij Ardons plek in en zag wat hij ook gezien moest hebben. Zijn hoofd was in een keer helder, maar zijn hart voelde alsof iemand het fijnkneep.
Zes onwaarschijnlijk grote mannen, stuk voor stuk langer dan Ardon, en allemaal zwaar bewapend. Ze stonden zo dicht op de vlammen dat de hitte hun huid allang verschroeid moest hebben, maar geen van hen leek er last van te hebben. Zelfs op de plek waar hij lag, voelde Fir een warme droge wind van het vuur af komen. Hij zag de mannen om zich heen kijken en af en toe met elkaar praten, maar verder gebeurde er helemaal niets. Een deel van de hut verzakte en een vonkenregen maakte zich los. Plotseling voelde hij een tikje op zijn kuit. Zijn spieren trokken onwillekeurig strak.
‘Wie zijn dat in vredesnaam?’ fluisterde Fir, weer onder de dakrand vandaan.
‘Geen idee,’ zei Ardon. ‘Vechters.’
De twee keken elkaar zwijgend aan. Wat deden die mannen daar? Stonden ze op iets te wachten? Fir voelde een vlaag angst van zijn maag zijn benen in zakken. Langzaam ademde hij uit om zijn kalmte terug te winnen.
‘Laat de hut maar afbranden. We wachten tot ze weggaan, dat is het veiligst.’
‘En als ze meer hutten in de hens zetten? Jouw hut was toevallig leeg.’
‘Laten we dan de anderen wakker maken.’
Ardon schudde langzaam zijn hoofd. ‘Iedereen is hier zo goed als bejaard. Odlundir kan als het regent niet eens rechtop staan.’ Ardon boog zijn hoofd dichterbij. Fir rook de alcohol in zijn adem. ‘We mollen er een paar, maken een hoop herrie en hopen dat de rest wegrent.’
‘Briljant plan, Ardon.’ Fir schudde vertwijfeld zijn hoofd en staarde naar de sterrenhemel. Hij probeerde de aanval voor zich te zien. We overleven het nooit, dacht hij. Rook vermengde zich met een van de sterrensluiers in de zuidelijke hoek van de Oorsprong. Hij keerde zich weer naar Ardon, hun gezichten vlak bij elkaar. ‘De eerste kan ik doden,’ fluisterde Fir, ‘misschien nog een tweede, als ik snel genoeg ben.’
Ardon knikte, hij had Fir tijdens de jacht meegemaakt en wist dat weinig boogschutters beter waren.
‘Maar daarna?’ mompelde Fir, vooral tegen zichzelf.
‘Daarna ben ik bij ze.’ Ardon klopte op het heft van zijn zwaard.
Fir keek weifelend naar het wapen dat nog niet eens een armlengte lang was. Heel even flitste er een beeld door Fir heen van Ardon in een bronzen gevechtsuitrusting, rondmaaiend op een onbekend slagveld met een zwart tweehandig slagzwaard, wanhopig vechtend om hem te bereiken. Hij keek zijn vriend nog eens aan. De tijd gleed een seconde de verkeerde kant op.
‘Is dit dan wat het gaat zijn?’
‘Dit is het.’
‘Zijn ze niet een tikje groot?’ probeerde hij nog.
‘Dan raak je ze makkelijker,’ antwoordde Ardon, die tevergeefs zijn best deed om luchtig te klinken. ‘Kom op nou, anders zijn we zelf te oud om te vechten.’
Een flauw glimlachje keerde op Firs gezicht terug. ‘Jij bent nu al te oud, je kunt beter je koe sturen.’
‘Dan wordt haar melk zuur. Pak die ene met die bijl, dat lijkt me de chef van het zooitje.’
Fir haalde zes pijlen uit een lederen koker en prikte ze in de grond. Hij voelde zijn hartslag versnellen. ‘Je kunt maar beter een paar roeden bij me vandaan gaan, anders loop je door mijn lijn heen.’
Ardon knikte. ‘Ik trek een sprint als jij je eerste pijl loslaat.’ Hij wilde al weglopen, maar aarzelde even. ‘Tot straks, Fir.’ Fir wilde wat terugzeggen, maar kreeg niets uit zijn keel. Ardon klopte op zijn schouder en sloop weg.
Fir spiedde voorzichtig om de hoek van de hut. Hij zag de vreemdelingen afsteken tegen het vuur. De man met de bijl was het minst ver bij hem vandaan. In gedachten stelde hij zich voor hoe Ardon bij hem vandaan sloop, telde zijn stappen. Hij plukte de eerste pijl uit de grond en zette hem op de pees. Zijn hart bonsde nu zo hard dat hij zijn booghand nauwelijks stil wist te houden. Fir trok de pees aan, stapte tegelijk uit de beschutting van de hut vandaan en mikte op het voorhoofd van de bijlvechter. Verschrikt merkte hij dat deze hem recht aankeek. Instinctief liet hij de pijl los, een fractie van een seconde te laat. Vol afgrijzen zag hij de bijlvechter zich wegbuigen. De pijl schoot rakelings langs zijn hoofd en plantte zich in de oogkas van de man achter hem.
Met een machtig gebrul dook Ardon uit het donker op, zijn zwaard hoog boven het hoofd geheven. Twee van de vechters maakten zich uit het groepje los en stoven razendsnel op hem af. Firs tweede pijl trof de voorste man in zijn borst, wat Ardon net genoeg tijd gaf om zijn zwaard omlaag te brengen en de slag van de tweede krijger af te weren. Ardon wankelde van de klap en moest achteruit stappen om zijn evenwicht te bewaren. Hij zag zijn tegenstander instappen en zwiepte wanhopig zijn korte zwaard voor zich langs. Tot zijn verbazing wist hij het wapen van zijn tegenstander uit zijn baan te slaan. Hij haalde uit en raakte de man in zijn zij met zijn zwaard. De platte kant van zijn zwaard.
De reus keek hem grijnzend aan. Gele ogen, flitste er door Ardon heen. Hij hoorde een suizend geluid en zag de man naar zijn onderbeen grijpen, waar de schacht van een pijl uitstak. Ardon ramde zijn zwaard op goed geluk naar voren. Het wapen gleed de buik van de vechter in, die zonder ook maar één geluidje te maken in elkaar zakte. Hij trok zijn zwaard los en stak nog een keer toe. Zijn handen en armen zaten onder het bloed. Maar het was niet zijn bloed.
In het licht van de sterren liep Vesper de heuvel af naar zijn kring. Hij volgde een smal konijnenspoor in het zand. Het paadje was verlaten. Misschien slapen de dieren al, dacht Vesper. De wind stond zijn kant op en opeens voelde hij rook in zijn neus prikkelen. Rook betekende thuis voor hem. In hun hut brandde altijd een vuur, soms zelfs twee. Vesper hield heel even in en keek naar Firs brandende hut. Mama zal wel boos op me zijn, dacht hij. Het konijnenspoor hield abrupt op, zodat Vesper het laatste stuk over prikkerig gras moest afleggen. Hij probeerde te lopen zonder zijn voeten echt neer te zetten en verbaasde zich er verder niet over dat dit hem lukte.
Hij kwam bij de voorste hutten van het dorp aan en bleef even staan. Het was stil, het vuur nog niet ontdekt. Vanuit de bossen achter hem riep een nachtvogel. Een zacht antwoord klonk van voorbij de heuvels. Hij nam zich
